Overgave en Vertrouwen

Het geluid van metaal op metaal klinkt onverwachts hard in deze ruimte. Het felle licht doet pijn aan mijn ogen. En die geur. Hoe kon ik die vergeten? Gelukkig zie ik nergens sporen van bloed of ander lichaamsvocht. Ik probeer op mijn ademhaling te letten, maar na vijf keer rustig in- en uitademen, ben ik dat alweer vergeten.
Vertrouwen.

De hoeveelste keer zal het zijn dat een chirurg het mes hanteert om toegang te krijgen tot het binnenste van mijn lichaam? Ik heb geen idee, gaandeweg ben ik de tel kwijtgeraakt. Het is ook niet belangrijk. Je zou denken dat het inmiddels heel gewoon voor mij moet zijn, een soort routine. Dat is het niet, dat wordt het ook niet. Het is elke keer weer anders. De mensen, de ruimte, het tijdstip, de geluiden, de geur en de uitkomst. Net alsof het de eerste of tweede keer is, dat ik word geopereerd. Ik ben niet bang. Of toch wel?
Ja, ik ben wel bang, ergens diep van binnen.

Iemand buigt zich over mij heen en zegt: ‘Niet schrikken, ik plak een aanta; plakkers onder en op uw borst.’ Ik schrik.
Mijn operatiehemd, dat toch al weinig bedekt, wordt een stuk opengetrokken. Een hand glijdt onder het hemd naar mijn borst en op een stuk of 4 plaatsen worden de plakkers geplakt. Direct klinkt er een piep, oplopend naar de frequentie en het ritme van mijn hartslag. 40-60-80-112.
Rustig blijven, er gebeurt nog niets.

Opnieuw komt iemand naar mij toe. Het lijkt net speeddaten. Ik zie hier in een uur meer mensen dan thuis in een hele week: ‘Ik ben de narcotiseur en zal samen met mijn assistent op u letten als u slaapt.’ Ik kijk haar aan. Haar haren zitten verstopt onder een lichtblauw geval, dat waarschijnlijk door moet gaan voor een muts. Een wit-groen mondkapje bedekt de helft van haar gezicht. Ik probeer mij te herinneren of ik deze vrouw herken van het voorbereidende gesprek. Nee, dit is niet de arts die het voorgesprek deed. Zou zij wel alle informatie hebben gelezen die ik haar collega vertelde over eerdere operaties? Hoe heet deze narcotiseur eigenlijk? ‘U voelt om de paar minuten dat de band om uw linkerarm wordt opgepompt. Daarmee meten we uw bloeddruk.’ Dat herinner ik mij van vorige operaties.
Herkenning.

Ik lig te rillen op de smalle, harde tafel. Waarom heet het eigenlijk een tafel en geen bed? In dit geval voldoen beide namen niet. Het is meer een te smalle plank. Ik richt mijn hoofd iets op, om beter om mij heen te kunnen kijken. Zachtjes doch dwingend word ik teruggeduwd. ‘Blijft u maar rustig liggen.’ Nou, als u wilt dat ik en andere mensen dat doen, dan zou meer comfort handig zijn. Een armsteun wordt aan de tafel vastgezet. Mijn arm wordt opgetild en erop gelegd. Ik had ‘m er best zelf op kunnen leggen, als iemand dat had gevraagd. Nu laat ik het gebeuren en ik zeg niets.
Overgave.

Ik kijk langs de felle lampen en richt mijn blik op het plafond. Ooit lag ik in een operatiekamer waar een poster op het plafond was geplakt. Een poster met een palmboom en een prachtig wit strand. Het enige witte wat ik nu zie is het plafond zelf. Mijn blik verplaatst zich naar de klok schuin tegenover mij. Ik lig hier nu ‘al’ 10 minuten, voor mijn gevoel een eeuwigheid. Mijn rug doet pijn, ik probeer mijn benen op te trekken. ‘Ho ho…kijk uit, straks valt u er vanaf.’ Dat zou inderdaad niet handig zijn. Ik zie de chaos en paniek al voor mij. ‘Mag ik alstublieft een kussen onder mijn knieën?’ Ik zie een enigszins geïrriteerde, vragende blik van de ene groene gedaante naar de andere groene gedaante schieten: ‘Eh ja, dat kan wel. Heeft u het koud? U rilt zo.’ ‘Ja, ik heb het koud. Maar het is niet alleen door de kou, dat ik zo ril.’ Er wordt een kussen onder mijn knieën geduwd en…oh…wat een heerlijkheid. Een warme molton wordt over mij heen gelegd. Ik voel dat mijn lijf zich ontspant. ‘Dank u, dit is heerlijk.’ Ineens blijkt er iemand achter mij te zitten, want ik voel een hand op mijn schouder. Door dit gebaar heb ik voor ‘t eerst het gevoel dat iemand zich over mij ontfermt en over mij waakt.
Geruststelling.

Inmiddels zijn er al een stuk of acht mensen in deze ruimte. Je zou het bijna gezellig noemen. Opnieuw komt er iemand naar mij toe. ‘Goedemorgen, we gaan zo beginnen’ Een fractie van een seconde heb ik moeite om te bedenken wie deze man is. Dan herinner ik mij dat de ogen die ik zie, die van de chirurg moeten zijn. De chirurg die ik slechts één keer eerder ontmoette, ‘Oh…eh…goedemorgen. Ik zie nu pas dat u het bent.’
In goede handen.

‘We gaan zo beginnen. Heeft u nog vragen?’ Enigszins overrompeld kijk ik hem aan. Vragen? Ik heb 1000 vragen! “Heeft u goed geslapen? Bent u goed uitgerust? Wie zijn al die mensen in deze ruimte? Is de man die naast u staat een arts in opleiding? Gaat u de operatie echt zelf doen? Of zal deze arts in opleiding een deel doen?” Geen van deze vragen stel ik hardop aan de arts, maar in mijn hoofd stapelen de vragen zich onsamenhangend op: “Waarom ben ik niet sloom, slaperig en rustig van het tabletje dat de verpleegkundige op de afdeling mij liet innemen? Duurt het nog lang voordat jullie gaan beginnen? Kan ik alsjeblieft nù onder narcose gebracht worden, voordat ik niet meer durf? Waar gaat u het over hebben als ik onder narcose ben? Gaat het over wat u vanavond gaat eten, of vertelt u over de komende vakantie? Luistert u naar de muziek die straks op de achtergrond te horen is? Of legt u heel rustig en gedetailleerd aan de arts in opleiding uit, wat u aan het doen bent tijdens de operatie? Gaat u iets ‘grappigs’ zeggen over alle littekens die mijn lichaam (ont)sieren? Of jeetje…u zegt toch niets over mijn cupmaat? Of…pfff…help. Heeft u het ook zo koud? Weet u echt heel zeker dat u goed uitgerust bent? Denkt u dat ik vanavond al naar huis kan in plaats van morgenochtend?” Shit. Ik wil dit niet. Ik wil naar huis, nu, naar man en kind. Zou dat nog kunnen? Ik…
Nee, ik heb geen vragen.’

De monitor alarmeert, mijn hartslag is nu boven de 120. ‘Zullen we maar beginnen? ’vraagt de anesthesist. ‘Graag’ fluister ik zachtjes, ‘laat mij maar slapen.’ Ik wil en moet mij hieraan overgeven en vertrouwen hebben in de mensen om mij heen. Het kan niet anders. Mensen waarvan ik een deel niet eerder ontmoette, niet bij naam ken, die ik waarschijnlijk nooit terug zal zien. Bizar.
‘Denk aan iets leuks, kies een mooie droom uit.’ Ik kijk naar het plafond. Geen palmbomen, geen strand. Iets leuks. Wat dan? Ik weet niets. Ik raak in paniek. Dan voel ik iets pijnlijks en kouds door mijn arm stromen, gevolgd door een vieze smaak in mijn mond. Ik snik, een traan loopt vanuit mijn ooghoek omlaag en wordt liefdevol weggeveegd. ‘Wat leuks, ik ..ik weet niet…kun je…ik…
………………Niets meer