Silence

Kort geleden deed ik mee aan een verhalenwedstrijd van een grote drogisterijketen met als thema “lef”.  Helaas behoorde ik niet tot één van de 40 winnaars die naar de volgende ronde mocht. Ik heb wel veel plezier beleefd aan het schrijven van dit verhaal. Op die site waren alleen de eerste 500 woorden van mijn verhaal zichtbaar (omdat  uiteindelijk 10 volledige verhalen in een boek verschijnen).

Nu waren enkele lezers toch geboeid door het verhaal en wilde graag weten hoe het afliep. Daarom heb ik besloten om het hele verhaal op mijn eigen blogsite te zetten.

Veel leesplezier!

Silence

Ze was nog jong. Heel jong zelfs. Haar leeftijd werd geschat op 10  jaar. Helemaal zeker wisten ze het niet. Het meisje had namelijk nog helemaal niets gezegd sinds ze in het vluchtelingenkamp was aangekomen.

Vanmorgen vroeg stond ze daar. Op blote voeten. Haar voeten vol met blaren en schrammen. Een jurkje aan, dat ooit zacht geel van kleur geweest moet zijn. Nu was het vaalgrijs, zwart besmeurd door de modder. Haar lange zwarte haar reikte tot over haar schouders. Vuil en vol met klitten. Ze stond daar ineens, bij de poort van het kamp. Ze keek alleen maar. Met grote, diepliggende ogen. Haar blik was leeg, als van een aangeslagen dier.

In eerste instantie was iedereen langs haar heen gelopen. Maar na een klein uurtje waren er een paar kinderen naar haar toe gekomen.

Mico, de oudste van het groepje was voor haar gaan staan en vroeg: “Wie ben je? Waar kom je vandaan?” Het meisje had hem alleen maar aangekeken, zonder ook maar een moment met haar ogen te knipperen. “Kun je niet praten? Of ben je doof ofzo?” De andere kinderen begonnen een beetje zenuwachtig te lachen. Wat een vreemd kind was dit. Na een paar minuten hadden ze het opgegeven en zwierven de kinderen het kamp weer in.

Het meisje was blijven staan. Doodstil, alsof ze bang was om zich te bewegen. Mico was naar een jonge vrouw gelopen met een hesje met een rood kruis erop. Hij praatte even met haar en wees naar het meisje met de grote ogen.

De jonge vrouw liep naar haar toe. “Hallo, ik ben Sandra. Mico heeft mij net verteld dat je hier al best lang staat. Helemaal alleen en in de brandende zon. Je zult wel dorst hebben. Het meisje knikte en keek Sandra recht in de ogen. “Gelukkig…je bent niet doof. Kom maar met mij mee. Dan zal ik je wat te drinken geven. Misschien is er ook nog wat maïspap voor je.” Even leek het meisje iets te willen zeggen, maar ze bedacht zich en keek Sandra alleen maar aan. “Wil je mij misschien vertellen hoe je heet? En waar je vandaan komt?” Het meisje reageerde niet, keek haar alleen maar onbewogen aan. “Mmmm…dat is wel lastig, zo zonder naam. Weet je wat…ik noem je nu gewoon “Silence…Sil”, oké?” Het meisje haalde haar schouders op, maar Sandra praatte gewoon verder: ” Kom Sil, nu eerst iets drinken en eten. Daarna moeten we een slaapplaats voor je vinden. Je treft het niet. Er zijn vandaag al meer dan driehonderd nieuwe vluchtelingen aangekomen en eigenlijk zitten we al meer dan vol. Maar voor jou vinden we vast nog wel een plekje! Trouwens…waar zijn je spullen?” Sil keek haar aan en haalde weer haar schouders op. Ze liet haar handen zien en keek naar haar jurk. “Dit is alles wat je bij je hebt?” Sandra keek het meisje nu doordringend en bedroefd aan. “Wie ben je en wat heb je meegemaakt? Meisje…Sil…..ben je hier alleen? Waar zijn je ouders? Zeg alsjeblieft iets! Sil?”

Sil slaakte een zucht van verlichting. Voor het eerst sinds lange tijd voelde ze zich een beetje veilig. Verder voelde ze zich vooral heel verdrietig en alleen. Hoelang was het nu geleden dat ze uit haar dorp was gevlucht? Ze probeerde zich te concentreren. Ze had de zon al net zo vaak onder zien gaan als het aantal vingers aan haar handjes. Dan was ze dus zeker al meer dan 10 dagen onderweg geweest. Alleen. Helemaal alleen.

Ze begon zachtjes te huilen, bang om de andere mensen in de tent wakker te maken. Ze sloeg haar handjes voor haar ogen, hopend dat ze zo de beelden kon verdringen. Elke nacht waren de beelden terug gekomen. Van de mannen die met kapmessen en bijlen hun huisje waren binnen gedrongen. Het gegil van haar moeder en het huilen en krijsen van haar 3 broertjes. Het geschreeuw van haar vader. Paniek. Daarna het vuur. In een impuls had ze zich verstopt in het kleine hutje dat als stal voor hun enige koe werd gebruikt. Omdat ze voelde dat ze daar niet lang ongezien zou kunnen blijven, was ze gaan rennen. Steeds verder en verder. Steeds sneller en sneller. Achterom kijken durfde ze niet. Het gegil en geschreeuw bleef ze lang horen. Opeens was het stil geweest. Angstaanjagend stil. Ze was even gestopt en had achterom gekeken. Toen realiseerde ze zich dat de brandlucht die ze rook niet alleen van het vuur in hun huisje was geweest. Boven haar dorp hing een grote zwarte rookpluim. Ze verstarde, wilde terugrennen om haar ouders en broertjes te redden. Maar ze hoorde ook de stemmen van vreemde mannen die dichterbij leken te komen. Radeloos keek ze om zich heen. Ze keek…maar zag niets. In een soort reflex begon ze weer te lopen, steeds sneller, steeds verder. Weg van het gevaar. Maar ook weg van haar familie.

Zonder dat ze het zelf merkte lag ze zachtjes te jammeren. Het geluid leek op dat van een gewond dier. Tussendoor riep ze “Mama….papa….”

Sandra was rechtop gaan zitten. Ze was wakker geworden door een heel zielig, hoog geluid. Ze probeerde rond te kijken, maar het was aardedonker in de tent. Opeens realiseerde ze zich dat het geluid vanuit de hoek achter haar schaarse spullen vandaan kwam. Voorzichtig kroop ze naar het geluid toe, hopend de anderen niet wakker te maken. Ze had inmiddels haar kleine zaklamp gevonden en scheen voorzichtig over de grond naar de hoek.

Ineen gedoken, als een gewond dier zat daar Sil. Haar handjes voor haar gezicht. Wiegend op de woorden en geluiden die ze maakte. Sandra kroop voorzichtig naar haar toe en zei zachtjes: “Sil. Sil…rustig maar…je bent hier veilig…het is goed.” Sil haalde even haar handen voor haar ogen weg, maar stopte niet met huilen. Haar gezicht zat onder de zwarte strepen en haar blik….Sandra huiverde. Ze ging naast Sil zitten en wilde haar in haar armen nemen om te kalmeren. Maar Sil dook nog meer ineen en maakte een maaiende beweging met haar armen. “Sil…Sil..rustig maar. Ik doe je niks…ik…” Sil stopte nu wel met het jammeren en huilen. Sandra pakte een deken van een stapel naast haar en sloeg die om Sil heen. Het meisje leek niet te kunnen stoppen met bibberen, maar leek zich wel enigszins te ontspannen. Sandra keek haar aan en vroeg haar, zachtjes fluisterend: “Sil, wil je mij vertellen wat er is gebeurd? Je bent hier veilig….ik wil je helpen.” Sil keek haar alleen maar aan. Haar blik was hol en leeg. Ze leek heel ver weg, schuilend in haar eigen wereld.

De zon brandde continu op haar gezicht en handen. Verder was haar lichaam bedekt door een veel te groot, gekleurd T-shirt. Die had ze van Sandra gekregen, de dag nadat ze in het kamp was aangekomen. Haar eigen jurkje had ze verstopt onder haar deken. Het enige aandenken dat ze nog over had gehouden aan haar vlucht uit haar dorp. Ze hield het stevig vast als ze ’s avonds in bed kroop. Het troostte haar, maar maakte haar tegelijkertijd ook heel verdrietig.

Ze was nu 5 dagen in het kamp. Nog steeds had ze geen woord gezegd. Behalve ’s nachts, als de beelden weer terug kwamen. Dan riep ze om haar vader of moeder. En soms de namen van haar broertjes: Ade, Ilo, Obi.

Vanaf de eerste dag was ze geen moment van de zijde van Sandra geweken. Sandra had haar de eerste ochtend wel naar de andere kinderen gebracht. Mico was gelijk naar haar toe gekomen, om haar te begroeten. Maar Sil was weggedoken achter de rug van Sandra. Haar ogen neergeslagen. Mico had nog geprobeerd haar aan het lachen te maken, door een gek dansje voor haar te doen. Maar Sil had niet gelachen. Mico werd al snel door één van zijn vriendjes aan zijn arm meegetrokken om samen te gaan spelen.

Sandra had zich omgedraaid en was op haar hurken voor Sil gaan zitten. “Sil? Je kunt hier veilig spelen met de andere kinderen. Er zijn een paar volwassenen die spelletjes met jullie doen. En je mag tekenen. Of muziek maken. Als het lukt, begint hier over een paar dagen ook een school.” Sil keek haar met grote ogen aan. Schudde daarna driftig haar hoofd. Nee. Sil wilde niet, durfde niet. Ze was gewoon bang en alleen. De enige die ze een beetje vertrouwde was Sandra. Sandra keek haar aan en zei: “Kun je alsjeblieft zeggen wat je wilt? Wat ik moet doen? Ik wil je zo graag helpen!” Sil wees naar zichzelf en daarna naar Sandra. “Je wilt bij mij blijven? Mmm…..oké. De hele dag?” Sil knikte. “Oké, voor vandaag is dat wel goed, morgen kijken we wel weer verder.” Vanaf dat moment leek Sil wel de schaduw van Sandra. Waar Sandra was, was Sil ook. Onafscheidelijk. En na de eerste dag was Sandra al vergeten dat ze gezegd had dat het maar voor 1 dag was.

Vanaf die dag stonden of zaten ze overdag samen bij de poort. Sandra schreef de nieuwkomers in. Zover dat lukte. Soms waren de mensen zo uitgeput, dat ze bij de poort instortten. Na het inschrijven kregen de mensen water, wat maïsmeel, een deken en nog wat kleine spulletjes. Sil zorgde ervoor dat elke nieuwe vluchteling een deken kreeg.

Bij elke nieuwe groep die aankwam, keek ze eerst zoekend rond of ze misschien toch haar ouders of broertjes zag. Maar tot nu toe had ze zelfs niemand uit haar dorp gezien. Echt helemaal niemand. Het maakte haar steeds verdrietiger.

Ze probeerde zo hard mogelijk te werken. Zodat ze ’s avonds uitgeput was en snel in slaap zou kunnen vallen. Tenminste…dat hoopte ze. Meestal werd ze wakker gehouden door de gruwelijke beelden van vóór haar vlucht. Gisteravond was ze heel  vlot in slaap gevallen. Ze was voor het eerst bij Sandra onder de dekens gekropen. Sandra had haar in haar armen genomen en had lieve woordjes in haar oor gefluisterd. Op de één of ander manier hadden die de beelden verdrongen en viel ze direct in slaap. Maar ook in haar dromen werd ze achtervolgd door de gruwelijke beelden. Door mannen met kapmessen en bijlen. Door de geluiden die ze maar niet kon verdringen. Steeds zag en hoorde ze alles opnieuw. Zelfs de brandlucht kon ze nog ruiken in haar dromen.

Sil schrok op uit haar gedachten. Bij de poort was enig tumult ontstaan. Het was de  afgelopen dagen vaker gebeurd. Sil schrok hier nu niet meer zo erg van als de eerste keer. Toch trok deze herrie wel haar aandacht. Er leek een grote groep nieuwe vluchtelingen gearriveerd te zijn. Deze keer opvallend veel mannen. Ze zagen er net zo uit als alle andere vluchtelingen. Moe en uitgeput door het slaaptekort. De meeste met kapotte, vuile kleding. Een enkeling had een bundeltje kleding bij zich. En toch…er was iets met deze groep. Sil stond op en liep naar de groep toe om hen iets beter te kunnen zien. Nu zag ze het verschil. Deze mannen zagen er niet zo uitgemergeld en hongerig uit als de meeste vluchtelingen. De meeste mannen liepen met gebogen hoofd. Alsof ze niet gezien wilde worden. Sil holde weer terug naar de stapel dekens en naar Sandra.

Sandra had ook gezien dat Sil even was weggelopen en vroeg haar: “Alles goed?” Sil knikte, maar kon een lichte huivering niet onderdrukken. Ze voelde zich ongemakkelijk. Er klopte iets niet. Alleen wist ze niet wat. Ze schudde even met haar hoofd en zei in zichzelf: “Kom op. Er is niets. Je moet aan het werk. Deze mannen hebben ook je hulp nodig.” Dus pakte ze deken na deken en gaf deze steeds opnieuw aan de passerende groep mannen. Ze lette goed op dat echt iedereen een deken kreeg, want het kon ’s nachts heel koud zijn.

Opeens verstarde ze. De deken die ze in haar handen hield, liet ze van schrik vallen. Schuin voor haar stond een man. Om zijn middel droeg hij een bruin koord met leren uiteinden. Hij stond nog enigszins met zijn gezicht weggedraaid van Sil. Sil keek en keek. De man draaide zich iets verder om en nu slaakte Sil een ijzige gil. Dat koord en dat gezicht…ze had ze eerder gezien. Ze werd lijkbleek en een ogenblik leek het of ze flauw zou vallen. Iedereen om Sil heen keek geschrokken naar haar. Sandra was met twee passen bij Sil en bracht haar naar de schaduw, waar ze haar hielp te gaan zitten. Iemand reikte een kroes water aan. “Sil, Sil…wat is er? Sil…alsjeblieft! Zeg ons wat er is!” Sil keek alleen nog maar naar de man die net bijna voor haar stond.

Ze tilde haar arm op en wees naar de man. Het leek wel of ze haar armen niet meer kon optillen, ze voelden aan als lood. Met trillende stem zei ze: “Hij…die man daar…hij…hij was in ons dorp. In ons huis. Hij…hij had een kapmes en een bijl. Hij…hij heeft mijn mama en papa en mijn broertjes gedood. En er was brand. Hij….

Ze sloeg haar handjes voor haar gezicht en begon weer hetzelfde jammerende geluid te maken als ’s avonds voor het slapen. De man probeerde inmiddels ongezien weg te komen, maar werd tegen gehouden door 2 medewerkers van het Rode Kruis. Sandra had Sil in haar armen genomen en wiegde haar heen en weer. Ook Sandra zag inmiddels lijkbleek en trilde over haar hele lichaam. “Het is goed meisje, Sil. Vertel ons wat er is gebeurd. Deze man zal hier voor moeten boeten. Ik weet dat het moeilijk voor je is. Heel moeilijk, afschuwelijk zelfs. Door de grote schok was je een poosje je stem kwijt. Maar we kunnen deze man alleen straffen als we weten wat er is gebeurd. Dat kan alleen als mensen, kinderen zoals jij het lef hebben om te durven en te kunnen vertellen wat je hebt gezien en gehoord. Vertel het ons, alsjeblieft?” “Het was…is…het was zo erg en afschuwelijk. Oh Sandra…ik…..ik kan het niet…ik…” Sandra keek haar aan en zei:” Door wat je ons net vertelde, heb je al laten zien dat jij een heel moedig meisje bent! We zullen deze man nu vastzetten. Als jij het kunt en wilt, vertel je ons je verhaal in stukjes of aaneen stuk. Meisje…wat heb jij allemaal voor gruwelijks gezien en meegemaakt? Hoe heet je eigenlijk?”

Sil keek haar aan, rechtte haar rug en zei met iets vastere stem: “Ik heet Bisa, net zoals mijn moeder en oma. En ik…ik zal jullie alles vertellen wat ik weet en wat ik gezien heb.” Sandra omhelsde haar opnieuw en zei: “Welkom lieve Bisa! Vertel het ons. Vertel het voor jezelf en voor al die mensen die daar waren. De wereld moet weten wat er gebeurd is!”

Bisa keek Sandra aan en knikte. Ja…ze zou vertellen wat er was gebeurd. Voor haar mama en papa. Voor haar broertjes Ade, Ilo en Obi. En voor zichzelf. Haar stem en haar verhaal moesten worden gehoord. Ze wist zeker dat ze dat nu kon. Ze haalde diep adem en begon Sandra te vertellen wat er die dag gebeurd was.

Advertenties